2019-06-21

Weblog: De wet en de bedoeling (Paul Misdorp)

De wet en de bedoeling


Op 1 januari 2021 is het zover. Dan krijgen we in Nederland te maken met de grootste stelselwijziging in onze democratische traditie ooit: 26 wetten met 4700 artikelen, 120 Algemene Maatregelen van Bestuur en 120 ministeriële regelingen worden teruggebracht tot één wet, de Omgevingswet met 349 artikelen, 4 AMvB’s en ongeveer 10 regelingen. Een knap stukje deregulering, dat wel, maar: waartoe doen we het? Wat is de bedoeling van deze ingewikkelde operatie? En: wat betekent het voor de gemeente en de burger?

De drie belangrijkste redenen voor de stelselwijziging zijn de tekortschietende legitimiteit en flexibiliteit en de onnodige complexiteit. Stapje voor stapje komt de overheid er achter dat top down sturing van de leefomgeving vanuit het afstandelijke stadskantoor geen pas meer geeft. Noch bij visievorming, noch bij vergunningverlening en handhaving en wat daar allemaal aan beleid tussen zit. Participatie, burgerbetrokkenheid en burgerverantwoordelijkheid worden gevraagd. Te meer omdat de eigen (financiële) middelen van gemeenten niet toereikend zijn om maatwerk te realiseren. Daarmee komen we bij de noodzakelijke flexibiliteit. De grote diversiteit aan groepen, voorkeuren en belangen wordt niet gediend met het ‘neerzetten’ van homogene Vinexwijken door bekende projectontwikkelaars die daar flink aan verdienen. Gemeenten krijgen in de nieuwe situatie de gelegenheid om afwegingen te maken die passen bij de lokale situatie. Daarmee kunnen zij dus beter inspelen op de behoeften van mensen en gebruik maken van de verschillende ruimtelijke condities van plekken in de gemeente. ‘Complexiteit’ is de derde reden voor stelselherziening en heeft voor de gemeente ook organisatorische consequenties. Het huidige omgevingsrecht bestaat uit een veelheid aan regels en wetten, die elkaar zelfs deels tegenspreken en – mede daardoor – leiden tot een vertraagd inspelen op de huidige ontwikkelingen. Daardoor wordt de samenhang van een gebied onvoldoende recht gedaan. Zo’n gebied of plaats binnen een gemeente vereist een integrale aanpak. Niet alleen samenwerking met meerdere partijen, maar vooral het overstijgen van interne sectorbelangen binnen de gemeente.

In theorie, op het niveau van denken, zijn gemeenten zich flink aan het voorbereiden op die stelselherziening. Dan wordt duidelijk dat iedereen het er wel over eens is dat het creëren van een gezonde en duurzame leefomgeving die we door kunnen geven aan onze kinderen en kleinkinderen van groot belang is. Maar tussen wat we zeggen en vooral opschrijven en wat we aan gedrag tonen in de praktijk gaapt een groot gat. Dat heeft, zoals het geval is bij elke ingrijpende verandering, te maken met het overwinnen van weerstand (maar het gaat toch best goed), cynisme (we hebben het al zo vaak geprobeerd) en angst (we weten wat we hebben en niet wat we krijgen). Maar het heeft ook te maken met een fundamenteel politiek vraagstuk: ‘van wie is de ruimte?’ Wat prevaleert: de financieel-economische waarde van grond of de maatschappelijke meerwaarde van ruimte? Veel gemeenten blijven hangen in het klassiek-economische denken en zijn onvoldoende in staat om het of…of dilemma te overstijgen. Dat vereist namelijk bestuurlijke lef, ambtelijk complexiteitsdenken en vertrouwen op gedeeld partnerschap. Daarmee wordt meteen duidelijk dat de overgang van de ‘oude wet’ op de Ruimtelijke Ordening naar de nieuwe Omgevingswet niet alleen een kwestie is van verandering van inhoud en structuur, maar vooral neerkomt op een mentale cultuurverandering. Als organisatiekundige merk ik dat heel sterk tijdens de leercirkels die mijn collega en ik met professionals doorlopen en die werkzaam zijn in het fysiek-ruimtelijke domein. Zij zijn geneigd om oplossingen te zoeken op het niveau van instrumentele verbetering: ontwerpen van een mooie omgevingsvisie, ontwikkelen van een slim ontwikkelingsprogramma, realiseren van een snelle omgevingsvergunning om te komen tot een helder projectbesluit. Ze vergeten dat bij elke stap die ze zetten de inspiratie van het ‘Waarom en voor wie doen we het en wat betekent dat voor ons zelf?’ door moet klinken[1]. Dat vereist leiderschap (sturing en richting) en permanente verbinding met partners in de omgeving. Anders geformuleerd: vanuit vertrouwen initiatieven laten opkomen en leren ‘los-houden’, dat wil zeggen vanuit betrokkenheid initiatieven uit de samenleving welwillend begeleiden[2]. Pas als dat gebeurt is sprake van een echte en geïnternaliseerde verandering.

Kortom: elke verandering staat of valt bij vertrouwen: in jezelf, in je omgeving, in hen die zich aandienen als volwaardig partner. Dat geldt nadrukkelijk niet alleen voor de overheid en de gemeente die eindverantwoordelijk is voor de ontwikkeling en uitvoering van de Omgevingswet. Het geldt voor iedereen die zich wil opwerpen als partner van de gemeente en dan in het bijzonder van burgerinitiatieven ten aanzien van gebiedsontwikkeling die willen ondernemen, iets tot stand brengen, waarde creëren voor de samenleving en henzelf. Zij zullen de verbinding moeten zoeken met de omgeving waar ze deel van uitmaken, betrokkenheid vragen van belanghebbenden, transparant zijn in werkwijze en besluitvorming, zeggenschap horizontaal organiseren, open en toegankelijk communiceren en overleggen en – vooral ook – tegenspraak organiseren. Daar horen spelregels en omgangsregels bij[3].

Goede participatie en betrouwbaar partnerschap moeten geleidelijk aan ‘uitgevonden’ worden in een gezamenlijk denk-, doe- en leerproces rond een gebiedsgerichte opgave. Primaire verantwoordelijkheden worden in een dergelijke setting belegd, rollen benoemd en de te zetten en gezette stappen geëvalueerd vanuit het perspectief van de oorspronkelijke doelstelling wat we met de gebiedsontwikkeling beogen. Dat komt neer op een netwerkachtige manier van organiseren, waarbij noch de regels (bureaucratische paradigma), noch het individuele succes (marktparadigma) voorop staan, maar het duurzame resultaat van samenwerking. Daarmee wordt ook de lokale democratie een dienst bewezen: het gaat niet alleen om het kiezen van capabele volksvertegenwoordigers, maar ook om het tonen van verantwoordelijkheid en leiderschap voor een duurzame toekomst. 


[1] Zie bijvoorbeeld Simon Sinek (2012) Begin met het waarom; de gouden cirkel van ondernemen. Business bibliotheek. Amsterdam. En: Wouter Hart in het Youtube filmpje Verdraaide organisaties, terug naar de bedoeling.

[2] Mooi voorbeeld is de verordening die de gemeenteraad van Breda op 27 september 2018 heeft opgesteld over het zogenaamde buurtrecht. Dat is het recht van een initiatiefnemer op gemeentelijke participatie op maat en een transparant proces op maatschappelijk initiatief, waarbij ook sprake kan zijn van aankoop op gemeentelijk vastgoed, uitvoering van taken en tijdelijk gebruik van vastgoed of grond. 

[3] Peter van Rooy over Overheidsparticipatie en omgevingswet; gelijk speelveld, opbrengst leertraject Democratic Challenge.

 

Bezoek ook eens de eigen internetpagina van Paul Misdorp: www.vinndt.nl